Folklore

Hebben jullie nog niet van  deze fantastische man gehoord, die op klaarheldere voormiddagen een  lantaarn aanstak, op de markt liep en aanhoudend riep: “Ik zoek folklore! Ik  zoek folklore!” Doordat er vele mensen samenstonden die niet in folklore geloofden, ontstond een hevig gebulder. Hij zal verloren gelopen zijn,  zei de ene. Heeft hij onachtzaam een verkeerde weg ingeslagen zoals een  kind, vroeg de andere. Of zou hij zich verstopt hebben? Is hij bang voor  ons? Mischien is hij wel geëmigreerd? Zo schreeuwden ze door elkaar en  vermaakten zich.

De fantastische man sprong  temidden van hen; zijn blikken doorboorden hen. “Waar folklore heen is?”  riep hij, “Ik zal het jullie eens zeggen! Wij hebben folklore vermoord,  jullie en ik! Wij zijn allemaal zijn moordenaars! Maar hoe deden we dit?  Hoe waren we in staat de zee leeg te drinken? Wie gaf ons de spons om  de horizont uit te wissen? Wat overkwam ons, als wij de aarde van de zon  wegrukten? Waarheen beweegt de aarde nu? Ver weg van alle zonnen?  Vallen we niet voortdurend om, rugwaarts, zijdelings, voorover, naar  alle zijden? Bestaat er nog een boven en onder? Dwalen we niet doorheen  een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet  kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller?  Moeten we de lantaarns niet reeds in de voormiddag ontsteken? Horen we  nog niets van het lawaai der grafdelvers, die folklore begraven? Rieken we  het folkloristisch ontbindingsproces nog niet? Folklore ontbindt ook! Folklore is  dood! Folklore blijft dood! En wij hebben haar gedood!”